Band met drie gezichten
Laat ik dit stuk eens beginnen met twee anekdotes die in elkaar grijpen. Een goede vriend van mij, een paar jaar ouder dan ik en net als ik een groot muziekliefhebber, zorgde in onze gesprekken altijd voor een hoop begripsverwarring doordat hij als punk aanduidde wat ik als hardcore (punk) zou aanduiden. Bands als Dead Kennedys dus. Waar precies de grens ligt weet geen mens, maar feit is dat de meeste hardcore Amerikaans is. Kijk naar de albums op de lijst: het al genoemde Dead Kennedys, de vegan quasi-terroristen van Minor Threat, Black Flag, en het al de revue gepasseerde Circle Jerks en Bad Brains (misschien vergeet ik er een (paar)). Allemaal Amerikaans. Punk daarentegen is toch primair een Engels verschijnsel, zelfs meer Engels dan Brits. Dat hardcore uit punk is voortgevloeid is meer dan evident (waarover zometeen meer).
In de lokale bibliotheek hadden ze een boek dat mijn zus en mij fascineerde: een (voornamelijk) fotoboek over de punkrage van rond 1977. Ik vrat het, vond de foto’s geweldig, en de muziek die ik nauwelijks kende intrigerend. Onthou asjeblief dat we over eind jaren tachtig praten: er was geen online muziek, je was volkomen afhankelijk van radio en eventueel de elpee-collectie van diezelfde bieb. Twee foto’s uit dat boek zijn mij altijd bijgebleven. Een was een foto van de band Eater, die zowaar heuse platen uitbrachten terwijl de leden circa 14 jaar oud waren. De tweede was een foto van the Stranglers’ Hugh Cornwell, omdat hij een – in de tijd dat ik het boek bekeek al zeldzame – ’telefoonkabel’-gitaarkabel had. Zo’n ding met kringeltjes dat je kunt uitrekken. Terwijl ik dit schrijf realiseer ik me eigenlijk pas dat ik dit boek, dat voelde alsof het over een soort stenen tijdperk ging, amper tien jaar nadat het allemaal gebeurde in handen had. Nu is het vijftig jaar geleden dat de punkrage losbarstte. Mon dieu.
Waar het om gaat: ik heb geen enkele herinnering aan een vermelding van de Buzzcocks in dat boek. Ik herinner me wel (uiteraard) de Sex Pistols, Elvis Costello, the Damned, the Stranglers, zoals genoemd Eater en nog een rijtje, maar geen Buzzcocks. Ze zullen er wel in hebben gestaan, maar ze voelen voor mij niet echt als onderdeel van de Engelse punkbeweging.
En dat begrijp ik alleen maar beter na beluistering van dit debuutalbum. Het is een merkwaardig album want er lijken wel drie bands aan het werk. De volledige kant A van het album is het prototype van de latere hardcore. Hoog monotoon tempo, snerpende, hoge vocalen en min of meer dito (uiteraard distorted) gitaren, agressief alsof de makers toevallig een kofferbak vol speed hebben gevonden. Terzijde, dat is eigenlijk een wellicht niet toevallige overeenkomst met dat andere genre dat ook hardcore wordt genoemd. Anyway: die muziek klinkt Amerikaans. Eerlijk gezegd vind ik het niet heel geweldig en er is nauwelijks een memorabel nummer.
Kant B trapt opeens helemaal anders af met ‘I don’t mind’. Dit is prototype Engelse punk. Een soort gemoderniseerde rock ‘n’ roll met nog steeds een vleugje agressie, een lage drempel als het om esthetiek gaat, maar ook onweerstaanbare poppy melodieën, regelrechte meezingers eigenlijk. De verandering in stijl is ook terug te horen in het geluid: dit klinkt als een andere opnamesessie met beduidend beter geluid.
De cd-versie van het album, die ik hier officieel niet als uitgangspunt neem, bevat trouwens als bonustracks de nummers van Buzzcocks die ik sinds 1987 heb leren kennen via verzamelalbums: de infantiele debuutsingle ‘Orgasm addict’ en ‘What do I get?’. Die sluiten ook prima aan bij dit punk-poppy idioom.
Maar dan duikt in de twee veruit beste nummers van het album nog een derde versie van Buzzcocks op. Het – zonder overdrijven – fenomenale ‘Autonomy’ en het slotnummer ‘Moving away from the pulsebeat’ – dat zowaar een soort hidden track heeft die ook nog eens wordt afgesloten met synthesizergeluiden – lijken gemaakt te zijn door een band die met veel plezier heeft geluisterd naar de Engelse progbands van de jaren zeventig. Tempowisselingen, lange instrumentale passages, iets wat lijkt op gitaarsolo’s: dit is opeens best doordachte muziek.
En die twee tracks halen het gemiddelde niveau van het album ver omhoog. Kant A kan mij niet zo heel erg bekoren, kant B een stuk meer en vooral die twee prijsnummers. Ertussenin trouwens nog een proto-hardcore nummer met ‘I need’. Pfoeh.
Ik denk dat deze band ook los van die twee tracks – waarvan ‘Autonomy’ trouwens door neopunkgrootheden Offspring (min of meer een skatepunk-hardcore-band) werd gecoverd – een flinke plek heeft in de muziekgeschiedenis, of ik ze me kan herinneren uit het punkfotoboek of niet. Toch bepaalt dat niet mijn waardering, ik moet het leuk vinden. Of niet. Een zes voor kant A en een verdiende tien voor de hoogtepunten maakt een acht gemiddeld.
Ik moet dat boek ergens uit een vintagebak zien te halen, kijken of ze erin staan.
Tot slot: een album van 35 minuten en 39 seconden. Mijn god wat heerlijk. Ik ben al begonnen aan het luisteren van het volgende album, een totaal doorgeslagen megalomaan monstrum van 2 uur, 34 minuten en 49 seconden. Waarvan ongeveer 20 minuten boeiend. Geez.

Ontdek meer van ivo-habets.nl
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
