De mooiste muziek ooit, gespeeld op een gammele piano
[Podcast-voorbereiding (1001 Album Complaints episode 284) te verschijnen 2 november 2026]
Kleine anekdote. Ik zette dit album op in de woonkamer om ernaar te luisteren terwijl ik daar van alles aan het doen was. Maar het geluid van de stereo stond te zacht terwijl er allerlei achtergrondgeluid was. Ik kon dus nauwelijks horen wat er uit de speakers kwam. Toch hoorde ik de muziek, noot voor noot.
Om maar aan te geven: ik ken letterlijk bijna elke noot die op dit album gespeeld wordt (en dat zijn er heel wat). Dit album is al heel lang ‘bij mij’. En ik heb het heel vaak geluisterd. Nog steeds zet ik de plaat vaak op als ik relatief rustige muziek wil horen en zeker als mijn vriendin erbij is. Dit album is een fenomeen en is op de lijst uniek in zijn soort. Om even het gezeur te doen: ik heb al eerder aangegeven dat ik de jazz-albums op de lijst een wat merkwaardige subverzameling vind, die er eigenlijk helemaal niet thuishoort. Jazz verdient zijn eigen lijst. Zoals wel vaker in het boek is waarschijnlijk een van de doorslaggevende elementen om het op te nemen – denk Dave Brubecks ‘Time out’ – het commerciële succes. Het wikipedia-lemma opent met de constatering dat dit het bestverkochte jazz-solo-album is. Eh… Dat lijkt me niet de commercieel meest competitieve omgeving om de beste in te zijn. Concurreren in verkoopaantallen met Peter Kowalds ‘Was da ist’ (solo-contrabas) of Anthony Braxtons ‘For alto’ (jawel, solo-altsaxofoon) kun je ook als een wedstrijd zien, natuurlijk. Iets veelzeggender: het bestverkochte piano-album. Tout court? Geen idee. Het lijkt me een voorbeeld van een wikipedia-claim zonder onderbouwing. Wat reken je tot deze categorie? Helemaal wetende hoe onbetrouwbaar verkoopaantallen zijn.
Hoe precies de getallen zijn is kwestieus, maar er zijn naar verluidt ruim vier miljoen exemplaren verkocht van de opname van het concert dat Keith Jarrett op 24 januari 1975 gaf in het Operahuis van Köln (Keulen). Het is waarschijnlijk niet overdreven om te stellen dat het prestigieuze, kwalitatief zeer hoogstaande jazzlabel ECM volledig op dit album is gebaseerd. Het heeft de wereld veel ongelofelijk mooie muziek opgeleverd.
ECM, dat is de Duitser Manfred Eicher. In 2025 verscheen de (Duitse) film ‘Köln 75’ die zich concentreert op het verhaal van de piepjonge concertpromotor Vera Brandes die tegen heug en meug dit concert organiseerde. In hoeverre de film helemaal waarheidsgetrouw is weet ik niet, het is hoe dan ook een fascinerend verhaal. En in dat verhaal zien we een wild behaarde Manfred Eicher in een aftandse Renault 4 met Keith Jarrett door Duitsland rijden (om zo de kosten van vliegtickets voor andere onkosten te kunnen gebruiken) en arriveren in Köln. We zien in de film ook het verhaal over de piano. Er was wel degelijk de beloofde Bosendörfer aanwezig, maar niemand wist waar die stond en de staf van het Operagebouw had sowieso niet zoveel vertrouwen en zin in dit evenement, dus iedereen haalde zijn schouders op. Dus moest Jarrett het doen met de oefenpiano die op het podium stond, die in allerijl nog opgelapt moest worden door een piano-restaurateur.
The rest is history…
In de film zien we een Jarrett die overduidelijk een batterij aan DSM-V-stoornissen met zich meetorst. Hij gaat uiteindelijk op dat podium zitten, lijkt haast te verdwijnen in een meditatieve bui, en speelt de eerste tonen van wat op de plaat de poëtische titel ‘Part I’ heeft gekregen.
Een riedeltje. Het riedeltje wordt herhaald. En tegen het einde van dat tweede riedeltje komt Jarrett in een improviserende flow. Het is ongekend wat we vervolgens te horen krijgen. Ik kan hier een hele batterij superlatieven opentrekken maar dat levert taalkundig een stuk op dat onder de maat blijft.
Ik hou het dus bij een simpele constatering: ik ken geen mooiere muziek. Van alle muziek die ik op cd heb – en dat is heel wat – of die ik gehoord heb: ik ken niets mooiers.
Punt.
Jarrett is natuurlijk een absurd talent. Hij heeft een basis – die je af en toe hoort, luister maar naar het stukje rond 10:00 in ‘Part I’ – in ragtime. Hij is een klassiek geschoold pianist die ook een hele stapel opnames van klassieke muziek op zijn naam heeft staan, zoals de preludes en fuga’s van Shostakovich maar óók de Goldberg-Variationen van Bach gespeeld op het helse klavecimbel. Hij begon zijn plaatopnamecarriète met vernieuwende jazz, tegen de free jazz aan, wat overigens niet de meest geslaagde platen opleverde. Veel vooraanstaander zijn zijn latere opnames met het Standards Trio: Jarrett op piano, Gary Peacock op contrabas en Jack DeJohnette op drums. Hele stapels albums brachten ze uit met allemaal, de naam zegt het, jazz standards. Fantastische uitvoeringen, een meesterlijke ritmesectie met een nog meesterlijker pianist. Mijn vriendin en ik hebben ze live mogen zien.
Toch is Jarrett nog het meest bekend geworden met zijn solo-concerten. Het is eigenlijk helemaal geen jazz, voorzover daar überhaupt al een sluitende definitie van bestaat. Het valt eerder in het bakje ‘free improv’. Want voor alle duidelijkheid: de man gaat dus achter een piano zitten zonder ook maar iets van basis voor de muziek, behalve natuurlijk wat in zijn hoofd zit en in zijn door jarenlang spelen getraind muzikaal instinct. Dit album is 66 minuten muziek die daarvoor nooit had bestaan, en die daarna nooit gereproduceerd is. Het is uniek en eenmalig.
Stel je voor dat Manfred Eicher die avond niet een tapemachine had laten lopen. Dan was het Köln concert misschien gespeeld die avond, voor de gelukkige aanwezigen, maar niemand had er letterlijk ooit ook maar één noot van kunnen terughoren.
Maar Eicher deed dat gelukkig wel. Niet voor het eerst trouwens: al in 1973 was het dubbelalbum met de concerten in Bremen en Lausanne verschenen. Begrijpelijkerwijs volgde hierna nog een hele reeks, maar noch qua commercieel succes noch qua artistieke suprematie komt er ook maar één van in de buurt (wat de tweede helft van de bewering betreft: vind ik, uiteraard).
Het is een van de meest intimiderende albums op de lijst, ik zou gokken dat alleen Peter Brötzmanns ‘Machine gun’ voor de mensen die doorgaans naar radiovriendelijke muziek luisteren nog veel bizarder is. 66 minuten alleen maar een mannetje met een piano, zonder enige songstructuur.
Maar zo ongelofelijk mooi. Een paar hoogtepunten. Rond 5 minuten van ‘Part I’ begint de aanloop naar vermoedelijk het allermooiste stuk van het album, en dus het allermooiste dat ik ooit gehoord heb. Rond minuut 22 begint het outtro, wederom ongekend mooi. Deel ‘II A’ begint met een dikke acht minuten ietwat zenuwachtige, wederom in ragtime gewortelde notenbombarie, om dan plotseling net voor 9:00 stil te vallen en over te gaan in wederom een hoogtepunt uit de muziekgeschiedenis. En die piano klinkt subliem. In ‘Part II B’ rond minuut 13 komt de klassieke basis van Jarrett bovendrijven. Het is allemaal prachtig.
Nog even over de delen. Het was natuurlijk een dubbelelpee. De muziek bestaat als je naar de titels kijkt uit twee delen, waarvan deel 2 vanwege de elpeebeperkingen in stukken geknipt moest worden. De knip tussen II A en B is elegant gedaan. Maar II B eindigt met applaus, dus II C is eigenlijk een encore. Merkwaardig dat dit niet gewoon III heet, maar daar is misschien een musicologische reden voor. Ik sluit trouwens niet uit dat ‘Part I’, het mooiste en wellicht ook het meest toegankelijke, door die meer dan 4 miljoen bezitters (hoewel, dit huishouden is goed voor 2 cd’s en 1 elpee) net zo vaak gespeeld is als de andere drie plaatkanten bij elkaar.
Dit album, of jazz nou op de lijst thuishoort of niet, is er inderdaad echt een dat je ooit gehoord moet hebben. Of het nou je ding is of niet.

Ontdek meer van ivo-habets.nl
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
