Redelijk onbegrijpelijk dat deze band of dit album ontbreekt!
Ik mag van mezelf weer een album toevoegen, na de derde serie van vijftig albums met soms heel veel genot en soms heel veel frustratie te hebben beluisterd en becommentarieerd, en nog een aantal extra om gelijk te lopen met de podcast. Er zaten loeisterke albums tussen die vijftig, zoals een van de beste albums ooit: de tweede van Radiohead. Wat kan ik daar zelf aan toevoegen?
Nou, het album van vandaag mag wat mij betreft om drie uitstekende redenen op de lijst. De eerste reden is de belangrijkste en de reden die mij het meest aan het hart gaat. Zoals de lezers weten werd ik ‘muziekbewust’ in de tweede helft van de jaren tachtig, en mijzelf afzettend tegen de ongelofelijk slechte en plastic popmuziek van die tijd vond ik – dus – mijn toevlucht in de heavy metal. En zoals dat gaat op die leeftijd: naarmate je je als lelijke puber slechter gaat voelen zoek je het in steeds extremer muziek, om maar nog verder van de mainstream die jou uitkotst terecht te komen. Death metal dus, maar evengoed alles wat maar extreem was. Als je dan naar de lijst van Robert Dimery kijkt is daar helemaal niets te vinden. Totale stilte. Het enige soort van snoeiharde album is Slayers ‘Reign in blood’ – wel meteen een van de allerbeste van de hele lijst – maar ‘links’ daarvan is er niets of vrijwel niets. De enige band die daar rondwaart en die min of meer death grunts als vocale stijl laat horen is Napalm Death dat met hun legendarische debuutalbum ‘Scum’ de lijst heeft gehaald. Maar dat is grindcore die eigenlijk dichter bij hardcore zit dan bij death metal. Misschien dat er nog een belachelijk post-2000 album met een zekere stevigheid is dat ik niet ken, maar ik weet zeker: death metal en daaraan grenzende (black metal, doom metal) of daaruit voortvloeiende genres (progressive death metal) zijn niet vertegenwoordigd. En dat had best gemogen. De legendarische albums van Death, het debuut van Possessed, Entombed: ze hadden niet misstaan. Waar Napalm Death klungelige amateurmuziek laat horen is het laatste album van Death bijna een soort jazzrock. Nog bizarder: zelfs het toch van links tot rechts opgehemelde Dream Theater figureert niet. Dat zit meer op de grens van thrash en progrock, waar de band van vandaag net als Death op hun latere albums prog mengt met death metal. Oók progrock komt er best bekaaid vanaf, eigenlijk alleen de obligate klassiekers.
Continentale Europese muziek is ook niet supergoed vertegenwoordigd. Als je de lijst bekijkt zou je denken dat ze in Zweden alleen ABBA hebben. Hoe goed ABBA ook is – ik meen dit serieus – doe je daarmee Zweden, dat een uitzonderlijk bloeiende muziekscene heeft, toch echt tekort. Het is Angelsaksisch all over the place met duidelijk bewust daaraan toegevoegd albums van over de hele wereld om het inclusiever te maken, maar in de muziekgeschiedenis hebben toch meer continentale bands een rol gespeeld dan we langs zien komen. Ik realiseer me: dit is een eurocentrisch commentaar dat ze in Zuid-Afrika of zelfs in Australië vermoedelijk niet delen.
En ten slotte: als je mijn blogs leest zou je denken dat ik geen muziek van na 2000 luister. Nu ja, dat is grotendeels waar. Maar er zijn uitzonderingen en ik vind dat er links en rechts nog steeds goede muziek wordt gemaakt. Ik wilde eigenlijk een van de laatste twee albums van Opeth kiezen: ‘In cauda venenum’ (2019) of ‘The last will and testament’ (2024). Beide zijn monumentaal goede albums. Perfecte muziek. Maar ik kies voor het oudere ‘Blackwater park’ (2001) omdat dit blijkbaar door veel mensen genoemd wordt als ‘glaring omission’ op de lijst. En terecht.
Voor deze blog heb ik het album uiteraard een aantal keer geluisterd en mijn hemel wat een ongelofelijk sterk album is dit. Zoals veel meer albums van Opeth, een band die nu al dertig jaar de ene klassieker na de andere uitbrengt. Begonnen als min of meer standaard death metal-band (nu ja…) worden er met elk album meer andere elementen toegevoegd. Europese (of Zweedse) volksmuziek, jazz, als je het mij vraagt klassieke muziek en natuurlijk vooral progrock bepalen mede het geluid. Zanger/gitarist Mikael Åkerfeldt wisselt zijn grunts in de loop van de tijd meer en meer af met gewone zang, een bijzondere combinatie. En hij doet dat smaakvol.
Kijk, er wordt hier niet per se uitzonderlijk goed gemusiceerd. Deze muziek is vooral gecomponeerd. Serieus. Wat mij betreft scheert dit langs Beethoven. De stuk voor stuk lang uitgesponnen songs – interlude ‘Patterns in the ivy’ uitgezonderd – zitten ontzettend complex in elkaar. Enorm knap. Het album duurt op een seconde na 67 minuten maar verveelt geen seconde. Dit is muziek met een hoofdletter M. Waar ik bij albums, vooral popalbums, vaak klaag over het gebrek aan muziek, bevat dit album zó veel muziek dat het bijna intimiderend is voor de luisteraar.
Alles is hier goed. Hoogtepunten noemen is nauwelijks zinvol maar de meest eruit schietende track wil ik toch even in het zonnetje zetten: ‘The drapery falls’. Ik kan er van allerlei superlatieven tegenaan gooien. Ik hou het simpel bij: Muziek met een hoofdletter M. Gebouwd op een werkelijk prachtige grondmelodie. Het bevat alles, van blast beats, tot een smaakvol akoestische-gitaar-intermezzo, zang en grunts, de extreme tempowisselingen die bij geen ander genre zo thuishoren als bij death metal. Maar dit is geen death metal, dit is Muziek. Luister hoe na ongeveer negen minuten met een losgaande drummer Martin Lopez – voor mij als ik er een moet noemen toch de ster van het album – die grondmelodie weer terugkomt. En hoe na ongeveer tien minuten Lopez door over te gaan op een double bass-patroon het allemaal nog wat dikker maakt.
Het is geweldig.
Dimery, kijk eens naar Zweden!
Ontdek meer van ivo-habets.nl
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
