Ik ben weer terug! En soms is vooringenomenheid terecht
Tsjonge! Dan zijn we opeens op drie dagen na een half jaar verder, woon ik 200 kilometer verderop en ben ik nog steeds bezig om hier mijn draai of vooral ritme te vinden. Verhuizen en alles wat daar bij komt kijken – mocht je plannen hebben: VEEL – had prioriteit en toen ik enigszins gesetteld was wilde ik vooral een achterstand wegwerken in mijn normale playlist, allemaal albums die ik ergens de laatste twee jaar had gekocht maar nog amper had geluisterd.
Maar… we pakken de draai weer op en toen kreeg ik dit album voor mijn kiezen. Joepie. Ik was enorm vooringenomen, ik zal zo uitleggen waarom, en bij de eerste luisterbeurt dacht ik: IK GEEF HET EEN 1. Die vooringenomenheid bleek terecht maar het is na een paar luisterbeurten toch wel iets beter dan mijn eerste indruk.
Kijk, ik was erbij. Dit album is uit 1996, net iets voorbij de helft van mijn studietijd, ik luisterde alternatieve radio – Studio Brussel – en vermoedelijk had ik een abonnement op Oor. Beck was overal en Beck werd overal de hemel ingeprezen. En ik vond het verschrikkelijk. Ja, de doorbraakhit ‘Loser’ die later terechtkwam op het debuutalbum ‘Mellow gold’ maar al van daarvoor dateerde, was onmiskenbaar een aanstekelijk liedje dat qua tekst natuurlijk als honing bij de Gen X’ers in hun continue depressie naar binnen ging. Maar bah wat vond ik dit overschatte, lelijke muziek.
En dat vind ik het nog steeds. Dit album klinkt echt verschrikkelijk lelijk, pijnlijk lelijk bij vlagen. Het is een bizarre mix van door Beck gespeelde echte instrumenten, snaren en toetsen, elektronica, samples en soms echte maar flinterdun klinkende drums. En Beck zingmompelt daarover heen. Het geheel moet een zekere lo-fi-feel uitstralen, want daar komt Beck vandaan. ‘Loser’ werd met een gaar tapedeck thuis in elkaar geknutseld. Dat werd vervolgens een onverwachte, enorme hit, was niet meer van MTV af te slaan en de platenlabels stonden in de rij voor Beck. Geffen werd uiteindelijk de gelukkige, tamelijk typisch want Geffen – dat in de review van het volgende album terugkomt – bewoog zich altijd op het snijvlak van commercieel en alternatief. Dit album is dus helemaal geen lo-fi-product, het werd grotendeels in de thuisstudio van de beroemde hiphop-producers the Dust Brothers – onder meer beroemd van de Beastie Boys – opgenomen. Dus we hebben een hoogwaardige opname die kunstmatig moet klinken als lo-fi. Vandaar al die clippende microfoons, waarover zometeen meer. Lo-fi rammelende singer-songwriter-muziek of alternatieve rock (Guided by Voices!) kan een zekere magie hebben, pseudo-lo-fi elektronische muziek is, ehm, apart.
Mijn bezwaar tegen en spaarzame waardering voor dit album is uit te leggen aan de hand van één nummer, een van de singles: ‘Where it’s at’. Het nummer begint dikke prima met een heerlijk gammel klinkende elektrische piano. Vermoedelijk zelf gespeeld, ik vind nergens dat het een sample is. Tegelijkertijd mijn bezwaar: die pianoriedel wordt gedurende de ruim vijf minuten van het nummer ongewijzigd herhaald, zo zeer dat ik dacht dat het wel een sample moest zijn. Geen enkele muzikale variatie. Dat gezegd hebbende, de melodie is aanstekelijk. Want Beck schudt sterke song-ideeën en melodieën, hooks zo je wil, moeiteloos uit zijn mouw, dat bewijst het hele album, alleen is de uitwerking zo slecht. De kracht van de muziek blijkt uit het feit dat de nodige van de liedjes amper mijn hoofd wilden verlaten na het draaien. Maar goed, dan komt dus het refrein. Mijn god, de maandelijkse maandag-alarmsirenes gaan af. We horen wat geschreeuw met een volop clippende microfoon waardoor het alleen maar klinkt als gekraak. Datzelfde effect komt 328 miljoen keer terug op dit album. Het verpest een in de basis goede song volledig.
Over het hele album verspreid duiken plotseling ongelofelijk hard in de mix zittende gesampelde piepgeluiden of wat het ook allemaal is op. Ik herhaal mezelf: het is allemaal spuuglelijk. En dat is doodzonde want er staat echt goed songmateriaal op: het genoemde ‘Where it’s at’, single ‘Devils haircut’ of het verrassend ingetogen (maar ook wat saaie) ‘Ramshackle’. Die laatste titel is een goeie samenvatting van dit album, dus. Als je trouwens na dat nummer denkt goh, het valt toch wel mee, volgt afsluiter ‘Diskobox’. Vermoedelijk werkt dit op mij als Napalm Death – waar ik rustig van word – op de meeste andere mensen: als een bak teringherrie waar je alleen maar voor wil vluchten.
Een 1 voor de esthetiek en een 6 voor de songideeën, dan komen we ergens op een 4 uit. Gefeliciteerd dat je na meerdere luisterbeurten toch nog een redelijk cijfer krijgt, Bek David Campbell.

Ontdek meer van ivo-habets.nl
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
