Uit drie elpees hadden ze wellicht één sterke elpee kunnen destilleren
Het was deze keer onvermijdelijk. Een oordeel vormen over dit album zonder enige studie lukt gewoonweg niet. Daarvoor is dit een te ondoorgrondelijk geheel. Probeer het zelf maar eens, luister de volle twee uur en je snapt er geen biet van. Wat is er namelijk aan de hand? De Nitty Gritty Dirt Band is (was) daadwerkelijk een band die op het snijvlak van traditionele country en countryrock opereerde rond 1970. Voor dit album hadden ze al vijf albums opgenomen in wisselende samenstellingen van circa zes man. Jackson Browne, niet onbekend als countrypopsingersongwriterartiest, was ook even lid van de band. Maar dit album is in feite geen album van de band. Het is meer een project van de band, aangevuld met voor het merendeel zeer ervaren en/of beroemde countrysterren. Dat maakt dat de muziek nogal wisselend klinkt, in het bijzonder door de zang. Een deel van de nummers is redelijk hardcore bluegrass, andere nummers eerder traditionele country, een deel juist moderner. Blijkbaar was er in deze tijd een soort clash gaande tussen country-artiesten die meer naar de rock begonnen te neigen versus zij die vasthielden aan veel traditioneler country. Bluegrass – later nog in dit projectje opduikend in de vorm van een album van the Louvin Brothers – is dan weer een soort parallelle werkelijkheid.
Drie van die gastmuzikanten wil ik nadrukkelijk bespreken. De belangrijkste – in positieve zin – is zonder meer de bluegrass-legende Vassar Clement. Hij speelt hier viool, of misschien moet ik wel zeggen fiddle, hoewel de man zowat elk instrument met snaren bespeelde: naast viool ook altviool, cello, contrabas, mandoline, banjo, tenorbanjo (?) en jawel, ook gewoon gitaar. Hier horen we hem in het bijzonder op zijn eigen compositie ‘Lonesome fiddle blues’. De opener van de tweede cd (in de cd-versie, dus) is mogelijk het absolute hoogtepunt van het gehele album. En jawel, als u denkt: dat ken ik toch?, dan klopt dat. Want de structuur van het nummer is identiek aan die van ‘Drunken sailor’ waar het naadloos op aansluit, zozeer dat veel artiesten de twee sindsdien samen opvoeren. De kern is: een mineur-akkoord (Dm) afgewisseld met een majeur akkoord een hele toon lager (C, dus). Het nummer werd een hit als ‘The devil went down to Georgia’ van de Charlie Daniels Band in 1979. Het is superaanstekelijk en knap gespeeld. Clement speelde niet alleen bluegrass maar ook jazz, en dat hoeft niet te verbazen als je hem hier hoort.
Over knap gespeeld gesproken: laat daar geen misverstand over bestaan. Hier zijn topmuzikanten aan het werk. Wat je daar ook van vindt: het album is gelardeerd met ‘ studio banter’: je hoort de muzikanten in de studio praten over het nummer dat ze gaan spelen en soms afspreken hoe ze het gaan aanpakken, wie wat doet. En vervolgens nemen ze de nummers in een of twee takes op, volgens de overlevering. Het voelt gemaakt, die studioklets, meestal in een lekkere (?) southern drawl, maar het is dus blijkbaar authentiek. Zelfs het eerste nummer begint zo, een opmerkelijk begin van een album.
Hoe knap het musiceren ook is, van het zingen kun je dat niet altijd zeggen. De mannelijke zangers en met name gastmuzikant Roy Acuff zijn niet altijd een feest om naar te luisteren. Moet je eens naar ‘Pins and needles (in my heart’) luisteren. Mijn god… Maar dan is er ook nog ‘Mother’ Maybelle Carter. Ik ga nu even mezelf citeren uit de bespreking van ‘At Folsom Prison’:
Er is ook een dieptepunt. Daar is ze: June Carter, later June Carter Cash. […]
Haar zingen is werkelijk niet om aan te horen.
Welnu, dat zit blijkbaar in de familie. Zoals de naam ‘Mother’ Maybelle Carter suggereert is ze de moeder van – onder anderen – June Carter(-Cash). En als June Carter moeilijk is om aan te horen, oh boy, luister dan eens naar moeder. Het is verschrikkelijk. Ze is een country-legende en moderne bronnen (AI…) zeggen dat hedendaagse luisteraars misschien haar manier van zingen ongepolijst vinden, maar dat het authentiek is en dat veel artiesten haar bewonderen. Voor haar unieke fingerpicking-style gitaarspel: dat geloof ik. Maar dat zingen…
Dan is er zoals aangekondigd nog een derde gastmuzikant die ik wil vernoemen: de ongeveer ten tijde van de opname negentien jaar geworden gitarist Randy Scruggs. Zijn beroemde – in deze kringen – vader Earl Scruggs speelt ook mee op banjo en gitaar. Maar zoon Randy mocht ook nog een solonummer opnemen: een versie van Joni Mitchell’s ‘Both sides now’. Het is het slotnummer van het album. Dat is slim, want je gaat met een heel ander gevoel de wedstrijd uit dan tijdens de wedstrijd werd opgebouwd. Het is zonder overdrijven bloedmooi, misschien nog mooier dan de schitterende versie van jazzgitarist Pat Martino.
Het zijn met name de instrumentale nummers die hier de meubelen redden, naast de al genoemde bijvoorbeeld ook ‘Nashville blues’ (geschreven door vader Earl Scruggs). Maar het is een veel te gemengd genoegen. En ja, een driedubbelelpee, oh boy. Had het gewoon als drie losse elpees uitgebracht. Of nog beter: had hier alle instrumentale nummers uit gehaald, aangevuld met een enkel – niet door Acuff of Carter – gezongen nummer en had er één elpee van gemaakt. Dan was het behoorlijk sterk geweest.
Maar zoals het is uitgebracht is het echt geen onverdeeld genoegen om naar te luisteren. In 2026. Door een niet-country-geilerd.

Ontdek meer van ivo-habets.nl
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
