#157 Steely Dan – Aja (1977) 6/10

Gladder dan het ijs van Thialf

Ik zou mezelf geen Steely Dan-fan willen noemen. Ik heb vrijwel alle albums, of beter: ik heb alle albums uit de periode tot en met 1980, waarna de band na een pauze van twintig jaar nog twee albums zou maken. Die ik dus niet heb. Band is trouwens een dubieuze aanduiding, zoals bekend is Steely Dan feitelijk het duo Donald Fagen (toets en zang) en Walter Becker (gitaar en bas). De heren vulden zichzelf aan met een batterij studiomuzikanten, en vaak niet de minste waarover later meer. Ergens is in de loop van de jaren is een mythe ontstaan dat de muziek van de heren zo ingewikkeld was dat ze zelf niet meer in staat waren op hun eigen platen mee te spelen en volledig afhankelijk waren van top notch studio cats. En zie dit album, het is daadwerkelijk waar dat de twee heren niet op alle tracks hun eigen instrument bespelen. Maar of dat daadwerkelijk is omdat ze het niet gekund zouden hebben lijkt me toch een betwistbare stelling. Dat gezegd hebbende, als je als Walter Becker jezelf laat vervangen door jazzgitaargod Larry Carlton, och.

Maar goed, ik begon met de stelling: ik ben geen Steely Dan-fan, wel een groot liefhebber. De echte Steely Dan-fans én de muziekpers, die kwijlen al bij het zien van de hoes van dit album, krijgen een erectie (of de vrouwelijke variant daarvan) bij het horen van de titel en komen tot een orgasme zodra opener ‘Black cow’ amper tien seconden onderweg is. Of bij titelnummer ‘Aja’ dat daarna volgt, waarover wederom zometeen meer.

Dit is precies het album waarbij ik compleet afhaak. Begrijp me niet verkeerd, natuurlijk is dit een goed album, natuurlijk is het goede muziek. Maar werkelijk alle leven is eruit geperst. Alle bloed is eruit gelopen en de bloedtransfusie die ze hebben toegediend met topklasse jazz(rock)studiomuzikanten levert een levenloos geheel op. Luister naar debuutalbum ‘Can’t buy a thrill’ en je kunt toch niet anders dan aangenaam verrast zijn – in vergelijking met dit – hoeveel meer ‘ oompf’ daarin zit. Alleen al die gitaarsolo van Elliott Randall – opmerkelijk genoeg een klasgenootje van Laura Nyro – in ‘Reelin’ in the years’, die vrij hoog op lijstjes van beste gitaarsolo’s ooit staat, daarin zit zoveel meer dan in alles op dit album. Overigens is Randall ook een studiomuzikant, maar dat debuutalbum werd grotendeels ingespeeld door iets wat lijkt op een daadwerkelijke ’touring band’. En het is veel minder glad dan dit glijmiddel. Sterker, als het als glijmiddel op de markt zou worden gebracht zou het vermoedelijk verboden worden vanwege onaangetoonde risico’s voor de volksgezondheid.

Het is aalglad, om mezelf nog maar eens te herhalen. Hoewel dat in tijd niet helemaal klopt lijkt dit me nou een voorbeeld van de muziek waar de punk een reactie op was, een reactie die wel moest komen. Het is zo gepolijst, zo smoothie jazz mixed with pop and let’s not play a bad note, dat het niet meer werkt. En daar komt nog iets bij. Ik heb het al geregeld gehad over het belang van de volgorde van de nummers op een album. Welnu, dit album begint met verreweg het slechtste nummer van het album, het al genoemde ‘Black cow’. Mijn god. Het is al vreselijk en dan komt ook nog zo’n verschrikkelijk zoetsappig dameskoortje de boel aan stukken zingen. Geen beste keuze.

Het album vervolgt met het titelnummer en dat is dan weer het beste nummer van het album. Hier werkt de pop-jazz crossover wel, ook door de kwaliteit van de muzikanten. De saxofoonsolo van Wayne Shorter – na het overlijden van John Coltrane vermoedelijk de absolute tenorsax-god – is behoorlijk, maar het drumwerk van Steve Gadd is fenomenaal. Hij speelt alleen op dit nummer, dat verder ook nog eens goed in elkaar zit en geen seconde verveelt gedurende de bijna acht minuten die de heren nemen.

Het album vervolgt weer met het zoeter-dan-een-suikerspin-afgetopt-met-poedersuiker ‘Deacon blues’ (met wederom een vreselijk koortje) en het ook al te gladde ‘Peg’. ‘Home at last’ is dan weer heel veel beter, en jawel, het gave gitaarwerk is van Walter Becker zelf. Het album eindigt echt veel beter dan het begint, want ook de twee laatste nummers – ‘I got the news’ en ‘Josie’ – halen het gemiddelde duidelijk omhoog. En terwijl ik dit schrijf realiseer ik me dat dit wellicht ook de reden is dat ik in de loop van de vrij veelvuldige luisterbeurten wat milder gestemd ben geraakt. Door het relatief sterke einde ga je met een redelijk gevoel het album uit, terwijl je door het baggerslechte begin meteen in de gordijnen hangt. Misschien is die volgorde dus toch zo gek nog niet…

Tot slot nog even over achtergrondzang. Wie we ook horen op dit album is Michael McDonald. Zo’n dertig jaar nadat al die muziek was gemaakt ontstond in de VS de genre-aanduiding yacht rock. Het idee is dat het muziek is die een (software-)miljonair draait als hij op zijn jacht vaart en met blote bast (al dan niet met bierbuik, vaker wel dan niet vermoedelijk) zich stoer voelt door naar zijn favoriete rock uit de periode 75-82 te luisteren. Zoiets. Ik heb het bij wijze van grap een keer zo geformuleerd: alle albums waarop Michael McDonald meezingt. Dit album (check), verschillende albums van de Doobie Brothers (ook als leadzanger, check), natuurlijk Christopher Cross (check). Feit is: de man heeft een fantastische stem die je uit miljoenen herkent. Zodra hij maar een half woord zingt op ‘Peg’ denk je: hee daar is Michael!

Yacht rock dus. Maar wel een hele jazzy variant en – voor de laatste keer – een hele gladde. Laten we eerlijk zijn: dit cijfer is te laag voor de kwaliteit van de muziek en ook voor het plezier waarmee ik ernaar luister. Maar jongens toch, had wat meer leven in de boel gelaten. Straf!


Ontdek meer van ivo-habets.nl

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.