Voor de tweede keer dit jaar was ik in Luxemburg om daar te fietsen, of nou ja, naar toe te fietsen. In totaal ben ik nu vier keer in het land geweest, de vele doorreizen niet meegerekend. Het rijkste land van de Europese Unie is wat mij betreft een ten onrechte genegeerd pareltje, in vele opzichten. Maar zeker als bestemming voor fietsreizen. In alle wielertijdschriften die ik lees staan elke aflevering opnieuw totaal oninteressante reisverslagen, overduidelijk gesponsord door regio’s of hotels. Luxemburg en zijn hotels doen blijkbaar niet aan die gefêteer, want het komt nooit aan bod (één keer, herinner ik mij). Bij dezen dus een pleidooi, gaat naar dat land! Want hee, het is gewoon Zwitserland, maar dan in het klein. Zwitserland ken ik vrij goed, want mijn vriendin heeft daar vier jaar gewoond toen ze als diplomaat bij de permanente vertegenwoordiging bij de WTO werkte. Nu ja, Zwitserland, dat was het heel erg Franse maar toch ook überzwitserse Genève. De gelijkenissen zijn hoe dan ook frappant:

Afbeelding van Yvonne Huijbens via Pixabay
  • Beide landen zijn klein (alles is relatief) en buiten de steden zeer dunbevolkt en dus rustig.
  • Er is geen meter vlak. In Zwitserland gaan de bergen tot in de wolken, in Luxemburg blijf je maximaal op zo’n 600 meter boven ANP bengelen, maar hé, op de fiets is dat zo gek nog niet.
  • Het land – beide landen dus – ademt rijkdom uit alle poriën. Daar is niks mis mee, behalve…
  • Het is, ehm, niet goedkoop, meteen het belangrijkste nadeel. Maar wel…
  • Allejezus netjes. De trottoirs lijken wel gestofzuigd. In Genève anno 1999 zag ik voor het eerst poepzakjes voor honden. Terwijl ik in het Haagse Bezuidenhout waar ik toen woonde als ik over straat liep letterlijk alleen maar naar de stoep voor me moest kijken om niet in de zoveelste schijthondendrol te trappen kon je in Genève zo ongeveer een ijsje dat je op straat had laten vallen oprapen en oplikken (nu ja…). In Luxemburg: idem.
  • Ze spreken met z’n allen bij elkaar op hun zakdoek zo veel verschillende talen dat ze zelfs niet eens weten in welke taal ze mensen moeten aanspreken. In Zwitserland gaat dat nog wel omdat de talen min of meer regionaal gespreid zijn. In Luxemburg gaat Frans, Duits en Letzeburgs dwars door elkaar, en dan zijn er nog de zeer aanzienlijke (vooral) Portugese en Italiaanse minderheden die hun eigen taal spreken in hun gemeenschap. Weer een gelijkenis trouwens, want in Genève was er ook een Portugese clan die je overal als schoonmakers en conciërges tegenkwam.
  • Ze hebben allebei een taal die ook wel in het woordenboek staat als ‘koeterwaals’. In Zwitserland noemen ze het Retoromaans (nou ja, het lokale Duits doet het ook goed) en in Luxemburg Letzeburgs. Van een in Luxemburg geboren en opgegroeide collega leerde ik ooit dat het eigenlijk een gemaakte taal is, die nog niet zo lang bestaat. Wel een komisch taaltje. Rij je door een dorpje, staat er weer een bordje bij een boerderij met ‘frësch Eeër”. Duidelijk zat. Voor een Limburger komen de klanken best bekend voor.
  • Ze verdienen hun geld voor een belangrijk deel met banken en andere financiële instellingen.
  • Openbaar vervoer? Je schaamt je de ogen uit je kop als Nederlander. In het dorp waar mijn schoonfamilie vandaan komt met een goeie 5000 inwoners rijdt in het weekend geen enkel openbaar vervoer, door de week tot een uur of zeven ’s avonds één keer per uur een bus. Het is echt te schandalig voor woorden hoe we dat hebben kapotbezuinigd in Nederland. In Luxemburg verbleven wij eerder dit jaar in Hesperange. Er reden zo veel bussen door dat dorp dat je moest uitkijken met oversteken. Voor buitenlandse toeristen was het bovendien gratis! Het Zwitserse openbaar vervoer rijdt als de plaatselijke klok. Kleine kanttekening over de veelgeprezen Zwitserse treinen: die staan gewoon bij elk station vijf minuten stil. Dan is het makkelijk op tijd rijden…
  • Ze maken allebei een hoop wijn (vooral witte) die je buiten de eigen landsgrenzen echt met een vergrootglas moet zoeken. Zeker de Luxemburgse is trouwens bepaald niet slecht, inclusief de crémant (mousserende wijn).
  • Automobilisten houden zich aan de verkeersregels! Nee, echt!!! Ze geven richting aan en zo. Wauw.
  • En ze zijn uiterst galant voor fietsers. Als je op zo’n slingerende N-weg rijdt en ze kunnen niet 300 meter vooruit kijken of er een tegenligger aankomt blijven ze rustig achter je. En als ze je dan passeren raken ze bijna de linkerberm, zo veel ruimte geven ze je. Kom daar eens om in Limburg!
  • De wegen zijn bijna zonder uitzondering zo heerlijk perfect dat het gemis aan fietspaden er nauwelijks toe doet.
  • Ten slotte, bij mijn hotelontbijt deze week kon ik ook gewoon rösti eten. Toen was de cirkel helemaal rond.

Tenzij je echt cols wil beklimmen is Luxemburg serieus de moeite waard. Niet ver rijden, veilig, schoon, netjes, hoogtemeters zo veel je wil, en je kunt je hele middelbareschool-talenervaring weer eens onder het stof vandaan halen. Gewoon doen!

Afbeelding van Yvonne Huijbens via Pixabay

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.