#1018 Iron Butterfly – In-a-gadda-da-vida (1968) 6/10

In de Hof van Eden was de lsd in de aanbieding

[Podcast-voorbereiding (1001 Album Complaints episode 280) te verschijnen 5 oktober 2026]

Er is geen twijfel over mogelijk: kant A van deze elpee was dé reden om dit album in het boek op te nemen. Onvergetelijk, extreem innovatief, briljant uitgevoerd, zo ongeveer de beste muziek die in 1968 werd opgenomen.

Nee dus. Er zullen op de hele wereld aardig wat mensen rondlopen die dit album bezitten of op zijn minst kennen, gehoord hebben, vroeger een kopie op cassette hadden. Als de cijfers op wikipedia kloppen – en dit soort cijfers zijn notoir onbetrouwbaar – zijn er wereldwijd meer dan 5 miljoen exemplaren van verkocht. Van al die miljoenen mensen zal een behoorlijk aanzienlijk percentage in een horecazaak kunnen denken “die muziek, vaag rinkelt er een belletje, maar wat is het ook alweer?” als een van de vijf nummers van de A-kant zou spelen.

Alleen: dat zal nooit gebeuren. Dan moet die horecazaak een muziekuitzoekprogramma hebben dat hele obscure tracks uitzoekt.

Dit album en dan vooral de historische rol ervan draait maar om één nummer, dat de gehele B-kant beslaat: titelnummer ‘In-a-gadda-da-vida’. Muziekliefhebbers van mijn generatie en vooral nog net wat oudere generaties zijn opgegroeid met de mythe van dit album, pardon dit nummer. Het was een ‘je moet het gehoord hebben, man, dat is zo bijzonder, ze waren zo stoned als apen die een hele regenton gegist fruit hebben gegeten of Karsten Kroon na een ayahuasca-sessie (waarover hij dit weekend uitgebreid vertelde in een interview in De Limburger)’-achtig fenomeen. Zoiets bestond verder niet. En vergeet niet dat er tot circa 2000 een fysieke geluidsdrager nodig was om naar muziek te kunnen luisteren. Radio uiteraard daargelaten, maar als je kennis wilde maken met dit nummer moest je vermoedelijk wel heel veel uren naar obscure programma’s midden in de nacht luisteren wilde je het een keer horen. Dus je ging ernaar op zoek. Om er vervolgens achter te komen…

Dat nummer beslaat een hele plaatkant (17 minuten en 5 seconden), een verschijnsel dat we in de jaren zeventig steeds vaker zouden zien maar in 1968, zeker in de ‘rock’, toch tamelijk bijzonder was. Het begint redelijk standaard als een soort psychedelische-gitaarrocknummer waar de A-kant ook grotendeels mee gevuld is. Maar dan gaan de heren – Gitaris/zanger Eric Brann, drummer Ron Bushy, bassist Lee Dorman en toetsenist (Vox Continental orgel) Doug Ingle – helemaal los. Alle leden krijgen wel een solo-spot. Jawel, ook de drummer en de bassist. Nogal langdurig zelfs. Drum- en bassolo’s zijn bij live-optredens vaak al een goeie gelegenheid om bij de bar bier te gaan halen, hier, op een studio-album, is ’t, eh, nu ja, het is wat het is. Voeg daaraan toe dat geen van de muzikanten bij een sollicitatiegesprek voor een plek in een progrock- of jazzrock-band veel kans zou hebben gehad op een goednieuwsbericht en je snapt dat het weliswaar een bijzonder, en door de bijzonderheid ook invloedrijk, nummer is maar nu, bijna zestig jaar later, best taai om naar te luisteren.

De mythe die dertig jaar geleden, toen ik het leerde kennen, rondging was dat het nummer in een nacht in de studio als een soort jam is ontstaan en dat de titel, een verbastering van ‘In the garden of Eden’, ontstond doordat zanger Brann zo stoned, of dronken, of trippend, of alle drie, was dat hij niet eens meer verstaanbaar kon zingen. Dat is allemaal natuurlijk helemaal niet waar, nu anno 2026 luister ik en hoor ik makkelijk dat dit gewoon een normale plaatopname is, het klinkt allemaal veel te gestructureerd en ook te professioneel om die mythe waar te laten zijn. Wat volgens wikipedia wel waar is: het nummer is geschreven door een kneiterzatte Doug Ingle die het voorspeelde aan drummer Ron Bushy, die de tekst schreef en niet goed verstond wat Ingle zei. Al snel ontstond het idee om er een hele lange uitvoering van te maken. Dus wel een kern van waarheid maar grotendeels een mythe. Ruim voor de plaatopname werd het nummer live al gespeeld als een zeer lang uitgesponnen jam. Nu ja, dit is ook het debuutalbum van de band dus veel songmateriaal hadden ze vermoedelijk nog niet. Het is trouwens wel veelzeggend over de muziekscene eind jaren zestig dat een beginnende band dit op plaat kon en mocht uitbrengen. Een veel kortere coverversie kwamen we trouwens al tegen!

Nog even over die A-kant. Het zijn vijf tamelijk vergetelijke psychedelische-rocksongs, die qua sound – vooral door het typische gitaargeluid – nog het meest doen denken aan ‘Deep Purple Mk1’, zoals het genoemd wordt. Het Deep Purple vóór de sterbezetting die de legendarische albums maakte (dat was Mk2 – met Ian Gillan als nieuwe, veel betere, zanger en Roger Glover als veel betere bassist). Eigenlijk ook een vergeten band (Mk1). Anyway, vergetelijke nummers dus maar niet slecht. Alleen ‘Flowers and beads’ kan mij niet heel erg bekoren. Hoe dan ook zou dit album al lang vergeten zijn als kant B een vervolg/kopie van kant A was geweest.

Een curiosum dat je zonder meer gehoord moet hebben, maar je zult het daarna vermoedelijk niet nog eens 264 keer in een jaar gaan luisteren. Als je de titel van het boek letterlijk neemt – en dus niet herinterpreteert als de beste albums, of de belangrijkste albums – staat het er dus volkomen terecht in.


Ontdek meer van ivo-habets.nl

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.