De manische arpeggio’s van Dave Greenfield
[Podcast-voorbereiding-aflevering (1001 Album Complaints episode 242) te verschijnen 12 januari 2026]
Het is een opmerkelijk toeval dat na mijn eigen randompick, Elvis Costello’s ‘This year’s model’, bij de podcast dit debuut van The Stranglers als randompick kwam bovendrijven. De albums sluiten naadloos op elkaar aan, zo je wil in de omgekeerde volgorde aangezien dit alnum een jaar eerder uitkwam. De overeenkomsten zijn fascinerend. Het verschil in de basis: hier horen we een punkband die new wave doet, bij Costello horen we een new wave-band die punk doet. Zoiets.
Dit is het enige album van The Stranglers op de lijst, hoewel de band na dit debuutalbum nog 170 jaar of zo is blijven bestaan én pas jaren later hun veruit grootste hit scoorde met het onvergetelijke ‘Golden brown’. Dat kwam van het zesde album ‘La folie’ uit 1982 (je moet wel elk jaar een album uitbrengen hè). ‘Golden brown’ is niet alleen fascinerend door het gebruik van een klavecimbel, maar ook door dat extreem ongemakkelijke ritme dat het bijna onmogelijk maakt om met je voet of wat dan ook mee te tappen of te tikken. Dat lukt je gewoon niet. Het is een maat 6/8 gevolgd door een maat 7/8, en weer terug naar 6/8, wat het dus een soort 13/8e maakt. Het is onweerstaanbaar. Het werd geschreven door toetsenist Dave Greenfield, en die speelt op dit album ook een essentiële rol.
Goed, The Stranglers anno 1977 dus. Engeland zit middenin de punkrage. Een bandje, geleid door gitarist/zanger/’principal songwriter’ Hugh Cornwell brengt zijn debuut uit en vindt het leuk iedereen in verwarring te brengen door dat album ook de titel ‘The Stranglers IV’ te geven, wat het natuurlijk niet was (maar als je het zo wil noemen houdt niemand je tegen, toch? Er zijn geen wetten die het verbieden). Toch staat de andere titel op de cover: ‘Rattus Norvegicus’ oftewel Noorse rat oftewel de rechttoe-rechtaan bruine rat waar we allemaal zo veel van houden.
In de kern is The Stranglers een punkband maar wat we hier horen gaat toch vrij ver voorbij aan de clichés van dat o zo kort bestaan hebbende genre. Niet alleen horen we nummers in allerlei tempi, vooral horen we het toetsenwerk van Dave Greenfield. Die had een achtergrond in progrock en hij kan serieus spelen. Ook Cornwall is allesbehalve een slechte muzikant. En dan horen we nog de fantastische bas van Jean-Jacques Burnel (Franse ouders, geboren in Notting Hill). De basgitaarsound op dit album is wat mij betreft een van de meest iconische ooit. Die knallende, kneiterscherpe bas is overal. Laten we ten slotte drummer Jet Black nog noemen, die misschien minder opvalt maar een prima potje speelt.
Het songmateriaal is ver boven gemiddeld, voor een punkalbum zeker maar wat mij betreft tout court. Het album opent energiek en goed met ‘Sometimes’, maar ergens in de loop van dat nummer raken de mannen de draad een beetje kwijt. ‘Goodbye Toulouse’ is vervolgens het zwakste nummer van het album, waarna ‘London Lady’ een min of meer standaardpunksong is.
Niet zo’n geweldig album, dus?
Nee. Het was de warming-up. Daarna komt namelijk ‘Princess of the streets’ waarin opeens een heel ander register wordt opengetrokken. Het is een soort langzame blues, waarin behoorlijk goed gespeeld wordt. Een boeiend nummer. Maar dan wordt het gaspedaal ingetrapt en volgt de grote hit ‘Hanging around’ – een brok energie, een pakkende song, gewoon een topnummer. Ja, en dan komt dus ‘Peaches’. Misschien anno nu het bekendste nummer? Die basgitaar… Onvergetelijk. Ja, het heeft een volstrekt stupide tekst, niet al te vrouwvriendelijk (hoewel vrouwen behoorlijk aanbeden worden, knipoog). Dat gold ook al voor ‘Princess of the streets’ denk ik. Nu ja. Het is een klassiek nummer, punt.
‘(Get a) Grip (on yourself)’ wordt behalve door een titel met stupide haakjes volledig gekenmerkt door de manische arpeggio’s die jazzrock-cat Greenfield uit zijn Hohner Cembalet elektrische piano ramt, nog aangevuld met een solo op een Moog. Niet erg punk hè. Had ik trouwens al vermeld dat Cornwell een universitair diploma biochemie had, Burnel geschiedenis studeerde en Black een succesvol ondernemer was voor hij drummer werd? Ook ‘Ugly’ heeft een serieuze Moog-solo. (Verder overigens een wat zwakker nummer)
En dan sluit het album af met de suite (!) (of medley) ‘Down in the sewer’. Punk kwam op als reactie op bands die ellenlange nummers maakten met weinig energie en met een hoog ‘self indulgent’ gehalte. Kort: het was anti-progrock (of Eagles). Wat doen the Stranglers hier? Ze sluiten hun album af met een regelrecht progrock-nummer. En het is serieus goed. Het opent met een instrumentaal deel waarin Cornwell en Burnel (getraind als klassiek gitarist, overigens) de melodie heerlijk in harmonie spelen, met dat kenmerkende knallende basgeluid. De finale van het nummer heeft bijna Bachiaans orgelwerk van Greenfield en het is een heerlijke climax. Wat een manier om middenin het junktijdperk een album te besluiten!!!
Heel benieuwd wat de podcast hiervan gaat vinden. Het verschil tussen Europese en Amerikaanse muziekhistorie bleek maar weer eens toen geen van de drie hosts van deze week the Stranglers überhaupt bleek te kennen, terwijl een beetje muziekliefhebber in Europa die band toch meteen kan plaatsen (ook al heb je er geen album van). En ze haten punk. Maar hoe punk is dit album eigenlijk?
Net als ‘This year’s model’ is dit geen overduidelijke 10. Een paar zwakkere nummers in het begin maken het wat wiebelig. Maar het is zo verrassend, verfrissend, origineel en vooral ook – op de sterkere momenten – zo simpelweg goed, ik geef weer een pluim.
Gaat lekker zo.

Ontdek meer van ivo-habets.nl
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
