#130 Portishead – Dummy (1994) 4/10

Van mij had het een ‘one hit wonder’ mogen blijven…

In mijn vorige beschouwing over Portishead schreef ik over mijn positieve grondhouding die samenhing met ‘Glory box’ dat in mijn Studio Brusseldagen veel gedraaid werd. Dat nummer staat op dit album, het is de afsluiter. Het is echt een goed nummer en ik snap waarom deze band met die single doorbrak en een ding werd. De formule die de band – toetsenist en computerknopjesdraaifiguur Geoff Barrow, gitarist/bassist/toetsenist Adrian Utley en zangeres Beth Gibbons* – bedacht werkt hier perfect. Combineer langzame of beter lome elektronische beats, sfeervolle spaarzame gitaarklanken en de etherische zang van Gibbons en voilà: het nieuwe genre triphop. Erg geschikt – denk ik, ik kan het niet beoordelen – voor als je in de club uitgedanst bent, de amfetamine is uitgewerkt en de XTC begint te werken. Zoiets? Nogmaals: het werkt en het is een terechte hit. Maar de band, zoals de subtitel al meldt, had wat mij betreft een one hit wonder mogen blijven. Voor de rest is het niet veel (op een enkel redelijk geslaagd nummer na) of is het uitgesproken irritant en/of lachwekkend.

*Beth Gibbons dus, en niet Beth Orton zoals ik in de beschouwing over ‘Third‘ schreef. Beth Orton is de zangeres die opduikt bij the Chemical Brothers, Beth Gibbons de frontvrouw van Portishead. Het is ook wat met al die Engelse Beths die zich op het snijvlak van elektronische en meer traditionele muziek begeven…

Ik heb twee grote problemen met dit album. De eerste van die twee is precies de persoon over wie het net ging: Beth Gibbons. Ik kan haar zingen absoluut niet verdragen. En ook dat heeft twee redenen. De eerste is dat ze een groot deel van de tijd in een absurd hoog register aan het zingen is. De glazen in mijn bril zijn kapotgesprongen toen ik het volume wat te hoog had staan. Het is eerlijk gezegd niet om aan te horen, dat gepiep van meerkoetkuikens. Het tweede probleem is dat ze bijna nooit voluit lijkt te zingen – gegeven het eerste probleem misschien trouwens, o paradox, tegelijkertijd een zegen – maar bijna voortdurend in de microfoon lijkt te mompelen. Het is deels de reden waarom ‘Glory box’ wel werkt – daar zingt zo zowaar een keer uit volle borst. Serieus: ik zou dit album weleens met een andere zangeres, met een soort van alt, die fatsoenlijk zingt, willen horen.

En als we dan ook nog het tweede probleem aanpakken… Het is bij tijd en wijle een regelrechte gekke-geluidjes-parade. Het werkt niet, anders dan op de lachspieren of meer nog op de cortison-receptoren. Het klinkt soms alsof die twee kerels de studio ingingen, een lachgasballonnen – hahaha – inademden (het lachgas, niet de ballon) en toen als dertienjarigen gingen bedenken welke gekke geluidjes ze nog konden bedenken. Scratching dateert uit de vroege hiphop uit midden jaren zeventig en in old school hiphop is het soms irritant, maar het past. Hier valt het alleen maar uit de toon. En het is overal op dit album.

Het sneue is dat wanneer ze een ander klankenpalet aanboren de muziek opeens tot leven komt. In ‘Sour times’ horen we een typische Ennio Morricone-gitaar en dat doet de hele muziek tot leven komen. ‘It’s a fire heeft een lekker orgeltje, haalt ook het nummer op. Dit zijn daarmee, met ‘Roads’ dat een mooie elektronische-pianogeluid heeft maar ontsierd wordt door de glasbreekvocalen van Gibbons, de sterkere nummers naast ‘Glory box’. Net als ‘Third’ heeft dit album dus vier wat sterkere nummers.

Nog een mooi stukje klankenpalet horen we in ‘Pedestal’. Daar duikt opeens een gestopte trompet op. En dat werkt geniaal in deze muziek, in deze sfeer. Miles Davis heeft het uitgevonden. Maar dat nummer wordt ook kapotgemaakt door de gekke geluidjes. Het allerergst is dat in ‘Wandering star’. Doe effe normaal man.

Overigens heeft mijn waardering voor dit album enorm geprofiteerd van luistersessies met de koptelefoon. Op de speakers werkt het album vooral op de zenuwen en neigde ik naar een 2. Bovendien gebeurt er iets geks. Bij elke luidsprekerluistersessie greep ik bij het begin van het tweede nummer, het genoemde ‘Sour times’, meteen naar de afstandsbediening om het volume terug te draaien (ongeacht hoe hard het stond). Het is net alsof dat geheel anders gemasterd is dan opener ‘Mysterons’ – het geluid knalt opeens uit de speakers. Op de koptelefoon valt dat minder op. En wat juist meer opvalt is de kracht van dit album, misschien wel van het triphopgenre in zijn algemeenheid. Als accent horen we vaak flink vervormde gitaren die wél iets toevoegen aan het klankenpalet. Was dat dan de geheime formule, in Engeland anno 1994? De shoegazers waren dol op sterk vervormde gitaren (hoewel vooral ook veel distortion, wat hier natuurlijk niet gebruikt wordt) en the Stone Roses en aanverwanten maakten dansbare gitaarmuziek, terwijl een ander deel van de natie op raves en pillen de summer of love doorbracht. Kwamen hier die twee werelden (en dus ook de twee seksen) bij elkaar?

Het frustrerende is: ergens in het DNA van deze plaat zit een tamelijk sterk album verstopt. Eigenlijk vraagt dit net als 1989 om een integrale coverversie, met een andere zangeres en veel betere productiekeuzes.

Nu blijft het bij vlagen onverteerbare muziek.


Ontdek meer van ivo-habets.nl

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Eén gedachte over “#130 Portishead – Dummy (1994) 4/10

Reacties zijn gesloten.