#128 The Who – My Generation (1965) 10/10 (eigenlijk 9,5/10)

I hope I die before I get old (wat de ster van dit album dan ook deed)

Dit album is zonder meer een monument in de muziekgeschiedenis. En om maar meteen de slotconclusie erbij te nemen: het is echt doodzonde dat er drie hele povere covers op dit album staan. Ik heb al vaker betoogd dat een album niet perfect hoeft te zijn om van mij een 10 te krijgen, maar dit is er eigenlijk net te veel aan om de maximale score te geven.

Laten we vooral focussen op die monumentale aspecten van dit album. Het moet toch redelijk als een bom zijn ingeslagen toen dit album uitkwam, want muziek had nog nooit zo geklonken. Als ik focus op de albums op de lijst zien we dat het bizar heavy album van The Monks (in Duitsland gelegerde Amerikaanse soldaten) een half jaar later uitkwam en het tamelijk heavy debuut van The Sonics (uit Washington state) een half jaartje eerder. Dat was meer opgevoerde rock ‘n’ roll met een prominente rol voor een saxofoon.

Hier zien we toch min of meer de geboorte van hardrock. The Kinks hadden een jaar eerder, in 1964, ‘You really got me’ uitgebracht wat met de zwaar overstuurde gitaar en het gebruik van power chords al een grote stap was. Maar de heren van The Who laten op dit debuutalbum sonische explosies horen die muziek een andere richting deden inslaan. En dat is het meest extreem op het slotnummer van dit album: ‘The ox’, een bizar energieke instrumental. Daar laat Pete Townsend voor het eerst zijn gitaar, ik neem aan al met de befaamde Marshall-amps, verzuipen in een bak feedback. Meer nog vallen de krankzinnige drums van Keith Moon op. Dat is op een groot deel van dit album het geval, maar in dit nummer gaat hij helemaal los.

Ik heb het wel vaker gehad over merkwaardige verdelingen van Spotify-streams. Hier is het nog veel absurder dan bij Kate Bush: ‘Running up that hill’ haalde 87% van de streams, het titelnummer hier haalt met 265 miljoen streams bijna 94% van het totaal. Alleen, hier is dat volledig onterecht en eigenlijk niet te begrijpen. En ook weer wel want het is natuurlijk een monument van de jaren zestig, een monument zowel in zijn muziek als in de boodschap. Ik heb niet voor niets de belangrijkste quote gebruikt als subtitel van deze beschouwing. De vier wildebrassen die dit album en vooral dit nummer opnamen wilden niet nadenken over het scenario dat ze zélf oude zeurpieten zouden worden.

Sir Roger Daltry is bijna 82, Pete Townsend (waarom heeft die geen titel gekregen?) is ruim 80. Keith Moon hield woord, de man die vrees ik bijna net zo krankzinnig was als zijn drummen in de oren van de oudere generaties in 1965 moet hebben geklonken stierf net na zijn 32e verjaardag.

Wat is het bizar wat hij hier laat horen. Neem ‘The kids are alright’, het enige andere nummer met bijna 10 miljoen streams. Het is op het eerste gezicht min of meer prettig klinkende proto-popmuziek zoals bandjes uit Liverpool maakten die tot de Merseybesat-stroming werden gerekend. Behalve die drums van Moon. Nummers als ‘La-la-la-lies’ en ‘Much too much’ zijn eveneens Merseybeat-(vroege Beatles)achtig, maar dan gespeeld door een band die peppillen heeft genomen (en dat is niet ondenkbaar). Op ‘The good’s gone’ hoor je een vorm van drummen die tot navolging leidde bij zo’n beetje elke heavy-rockdrummer van de jaren zeventig.

Nog even over dat titelnummer. Die bassolo van John Entwistle, had iemand voor eind 1965 al ooit zoiets gedaan? Het nummer eindigt in totale kakofonie, aangedreven door de woeste oorlogsdrums van Moon. Ook Sir Daltrey doet iets heel stouts. In het hele nummer gebruikt hij af en toe een fake-stotter. Bij de lijn “Why don’t you all f… f… f…” is de suggestie overduidelijk. De luisteraar zowel toen als nu denkt “nee hij gaat dat toch niet zingen?”. Dat doet hij ook niet: hij vult aan met “fade away”. We weten allemaal wat hij bedoelde.

Dit album is een bom die ontplofte. Een V2 die nog ergens in de Londense bodem lag en alsnog zijn verwoestende werk deed.

Wat is het dan jammer dat drie overbodige covers dit album ontsieren. Ze passen op zich wel, want dat de mosterd deels gehaald wordt bij Amerikaanse R&B en blues is overduidelijk, dat eerste nog meer dan het tweede. Twee nummers van James Brown, ‘I don’t mind’ – dat hij zelf ook laat horen op het door mij zo matig gewaardeerde ‘Live at the Apollo‘ – en ‘Please, please, please’ onderstrepen die eerste invloed, waarbij net zo duidelijk is dat Ray Charles-platen werden gedraaid in de Londense kelders waar de vier jongelui waarschijnlijk heel wat bier dronken. ‘I’m a man’ van Bo Diddley laat de blueskant horen. Maar deze covers redden het niet bij de andere nummers die allemaal door Pete Townsend werden geschreven, ‘The Ox’ door de drie muzikanten plus gastpianist Nicky Hopkins. Die zijn veel frisser, veel origineler, veel beter uitgevoerd. Vooral ‘Please, please, please’ is een regelrechte misser.

Ik geef geen halve cijfers, ik vind dat dit album eigenlijk niet meer dan een 9,5 verdient vanwege de missers. Maar vanwege zijn plek in de muziekgeschiedenis behoort het toch echt een 10 te krijgen.


Ontdek meer van ivo-habets.nl

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.