#127 Culture Club – Colour by numbers (1983) 4/10

Aardige popsongs, behalve als Helen Terry de boel finaal aan stukken zingt…

Meestal weet ik na een paar luisterbeurten wel hoe ik deze beschouwing ga aanvliegen en vormt zich vanzelf een intro in mijn hoofd. De woorden vloeien dan vanzelf uit het toetsenbord zodra ik achter de Mac ga zitten.

Deze keer niet. Ik weet niet waar ik mee moet beginnen, dus deel ik die worsteling met jou, de (niet-bestaande, want ik weet dat ik dit alleen voor mezelf tik) lezer. De subtitel was wel meteen duidelijk voor mij want dit is een album dat in mijn appreciatie duidelijk op twee gedachten hinkt. Het is een stuk beter dan ik vreesde toen dit album uit de randomgenerator rolde, maar ojee, wat wordt het af en toe verpest.

Goed, om dan toch maar met dat gevoel te beginnen. Hoewel ik nog jong was, ik kom uit deze tijd. Toppop en waarschijnlijk ook al Top of the Pops stonden op het wekelijkse tv-menu. En daarin verscheen het vooral dankzij hun voorman Boy George zeer kleurrijke Culture Club. Volgens de burgerlijke stand: George Alan O’Dowd (de Ierse link is niet moeilijk te raden…). Met zijn uiterst androgyne (op het randje van travestie) verschijning en niet moeilijk te raden seksuele voorkeur had hij iets van een paradijsvogel. De band scoorde twee monsterhits: ‘Do you really want to hurt me’ (van debuutalbum ‘Kissing to be clever’) en natuurlijk ‘Karma chameleon’ van dit (tweede) album. Daarnaast hadden ze nog een aantal kleinere hits. Terzijde: aan de noteringen in de Top2000 te zien is de band langzaam uit het collectieve geheugen aan het verdwijnen. Dat zal, maar feit is dat deze twee hits perfecte illustraties van (vroege) jarentachtigmuziek zijn.

En natuurlijk keek ik er niet bepaald naar uit dat zoetsappige meukgedoe van ‘Karma chameleon’ te moeten luisteren voor dit hobbyprojectje. Het album opent ermee en ik moet zeggen: bij objectieve beluistering valt het eigenlijk reuze mee. Het is een aanstekelijke popsong waarvan te begrijpen is waarom het grote publiek ervoor viel. Die vreselijke mondharmonica ontsiert het een beetje, maar ach. En het wordt nog gekker als het album vervolgt met ‘It’s a miracle’, want dat is misschien nog een betere song.

Dat gaat lekker! Is dit dan toch wat voor mij? Nee. Want dan verschijnt voor het eerst prominent de mevrouw die deze muziek voor mij bij vlagen walgelijk maakt. Sorry, dat is erg sterk uitgedrukt, maar zo ervaar ik het. En let wel: dat is mijn mening, het is mijn smaak. Ik zeg niet dat ze walgelijk zingt, ik zeg dat ik het als walgelijk ervaar. Helen Terry heet de vaste achtergrondzangeres van de band, ze zong ook al mee op het debuutalbum. Achtergrondvocalen horen bij deze muziek, bij alle popmuziek. Maar Helen Terry gaat er met haar ‘soulachtige zang’ volledig met de muziek vandoor. Vooral in ‘Black money’ maar ook in ‘That’s the way (I’m only Trying to help you)’ en ‘Church of the poison mind’ zingt ze de boel volledig aan stukken met de bekende aanpak om in een woord drie octaven de revue te laten passeren.

Had ik al gezegd dat ik dat niet mooi vind om te horen? Ik denk het wel. Wat nog erger is: ze laat de op zich niet onaangenaam klinkende zang van Boy George óók ontsporen.

Het is jammer, want voor de rest bevat het album best nog een aantal aardige songs. ‘Stormkeeper’ wordt misvormd door een ander fenomeen dat ik al eerder beschreef: zeepsop-bas. Bah. En dan is er ook nog zo’n blèr-saxofoon. En toch is het best een aardig nummer. Slotnummer ‘Victims’ lijkt een zoetsappige popballade te worden (met achtergrondzang!!!), maar naar het einde neemt het nummer een verrassende wending en wordt er zowaar een beetje op de muziek gefocust met een plotselinge versnelling waarna de boel weer vertraagd wordt. Qua structuur is dit met grote voorsprong het interessantste nummer op het album. En de meest verfrissende song is ‘Miss me blind’ dat namelijk gelardeerd wordt met een meer dan aardige gitaarsolo. De gitaarsound klinkt alsof-ie door een synthesizer is gehaald, maar het werkt wel. Of juist daarom, want het past in deze muziek. Misschien niet verrassend: in het gitaarhatende Nederland waarin ik opgroeide haalde deze single de hitparade niet. Vooral in de VS werd het wel een hit.

Tsja, ik ben nu eenmaal geen popmuziekliefhebber hè. Zodra muziek alleen nog maar om de zang draait en dan bovendien ook nog eens alle registers worden opengetrokken om indruk te maken met vocalen, dan ga ik op de wc zitten schijten. Pardon, dan geef ik mijn portie aan fikkie.


Ontdek meer van ivo-habets.nl

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.